Thom de Graaf: "Burgemeester is geen hulpsheriff van OM"

Het kabinet-Rutte neemt het drugsbeleid op de schop. Afgelopen jaar kondigde minister Opstelten (Veiligheid en Justitie, VVD) maatregelen aan die de vrijheid van gemeenten om naar eigen inzicht met coffeeshops om te gaan, drastisch beperken. Deze maatregelen helpen weinig en voeden de twijfel of het kabinet nog wel vertrouwen heeft in het lokaal bestuur.

Wat zijn de maatregelen van Opstelten? Kort samengevat: de coffeeshops worden besloten clubs, waartoe alleen ingezetenen met een ‘wietpas’ toegang krijgen. De minister stelt een maximum aan het aantal leden. De coffeeshops mogen niet zijn gevestigd binnen een straal van 350 meter van middelbare scholen en regionale opleidingencentra.

Dit beleid wordt geconcretiseerd door de ‘gedoogcriteria’, die het Openbaar Ministerie op grond van de Aanwijzing Opiumwet hanteert, aan te vullen. Houden coffeeshops zich verder aan de gedoogcriteria (geen alcohol, geen harddrugs, geen overlast, geen verkoop aan jeugdigen en een beperking van de handelsvoorraad en de hoeveelheid per koper), dan vindt geen vervolging plaats. Cannabis blijft immers nog steeds bij wet verboden. (Overigens brengt het kabinet cannabis met een hoog THC-gehalte onder lijst I van de Opiumwet, waardoor zware wiet nu een harddrug wordt, waarop het gedoogbeleid niet van toepassing is.)

Het is een oude discussie of aanscherping van het drugsbeleid de overlast en het cannabisgebruik vermindert. Het omgekeerde lijkt eerder waar: de nadelen van een strenger beleid zijn groter dan de voordelen. In de grenssteden zal de verkoop aan drugstoeristen niet stoppen. Hij gaat ondergronds. Dit is niet in het belang van de bevolking, maar van dealers die graag ook coke, speed en andere harddrugs aanbieden. Een wietpas is bovendien gemakkelijk te vervalsen en moeilijk te controleren.

Een maximum door de minister vast te stellen aantal coffeeshopleden is een typische Haags bedenksel dat geen rekening houdt met de grote verschillen in omvang en functie van coffeeshops in den lande. Een grote ‘afhaalshop’ aan de rand van de stad kan, uit oogpunt van openbare orde, aanmerkelijk beter uitpakken dan een veelvoud aan kleine etablissementen in het centrum. Een afstandscriterium ten opzichte van scholen miskent niet alleen dat de shops toch al niet mogen verkopen aan jeugdigen, maar ook dat een jongere die wil experimenteren zich niet zal laten afschrikken door een paar honderd meter lopen of fietsen.

Het nieuwe drugsbeleid is, kortom, vooral nieuwe stoerheid. Stevig optreden tegen drugscriminaliteit is nodig, maar deze maatregelen vormen geen zinvolle bijdrage. Alleen de aanpak van de doorgeschoten veredeling van cannabis met grote risico’s voor de volksgezondheid snijdt enig hout. In de praktijk is dit verbod helaas onuitvoerbaar. Het Trimbosinstituut, dat jaarlijks het THC-gehalte van cannabis monitort, laat tests uitvoeren door de laboratoria van DSM. Het is niet waarschijnlijk dat coffeeshophouders aan de achterdeur zo’n laboratorium hebben staan en ook niet dat de Voedsel- en Warenautoriteit en de politie in staat zijn de coffeeshops hierop adequaat te controleren.

Wat vooral verbaast, is dat het kabinet de gemeenten beschouwt als willoze werktuigen van zijn beleid. Minister Opstelten gaat er, in weerwil van de verantwoordelijkheid van het Openbaar Ministerie, vanuit dat het aan de burgemeester is om de gedoogcriteria te handhaven, omdat de burgemeester op grond van de Opiumwet de bevoegdheid heeft om coffeeshops en drugspanden te sluiten. De minister maakt op deze manier van burgemeesters rijksambtenaren. Dit kan niet de bedoeling zijn.

Art. 13b van de Opiumwet betreft geen verplichting, maar een discretionaire bevoegdheid, die de burgemeester zelfstandig hanteert. Hij zal zich laten adviseren en afstemming zoeken met de politie en met de officier van justitie, maar de burgemeester beslist zelf of hij van de bevoegdheid gebruik maakt en op grond van welke beleidsafwegingen. Niemand kan de burgemeester hiertoe verplichten, zelfs minister Opstelten niet. Wil minister Opstelten dit wel, dan moet hij niet alleen de Opiumwet wijzigen, maar ook de functie van burgemeester.

Het lijkt erop dat deze minister die weg op wil gaan. Zo heeft hij bij de behandeling van zijn begroting in de Tweede Kamer laten weten dat de hoofdofficier van justitie verhaal komt halen bij de burgemeester als deze te weinig handhaaft. De burgemeester als een hulpsheriff onder toezicht van het Openbaar Ministerie – het moet niet veel gekker worden.

De burgemeesters doen er goed aan de minister duidelijk te maken dat zij zelfstandig beschikken over hun wettelijke bevoegdheden en dat niet de minister, maar hun verantwoordelijkheid voor de lokale orde en veiligheid hierbij leidend is. De minister kan naar hartelust aanwijzingen geven aan het Openbaar Ministerie over de vervolging, maar niet aan burgemeesters over de bestuurlijke handhaving. Dat is niet alleen rechtsstatelijk onwenselijk, maar draagt ook niet bij aan een verstandig drugsbeleid dat gebaat is bij zorgvuldige, lokale afwegingen. De voormalige burgemeester van Rotterdam zou dat toch moeten weten.

Thom de Graaf, burgemeester van Nijmegen en lid van de Eerste Kamer voor D66. Hij was van 2003-2005 minister van Bestuurlijke Vernieuwing.

Dit opinieartikel is eerder verschenen in NRC Handelsblad, 2 december 2011

U bent hier

<div></div>