30/11 Mediacode voor slachtoffers?

Gisteren was het NGB aanwezig op het congres van de Nederlandstalige Vereniging voor Psychotrauma. Daar hield ik een presentatie over de wisselwerking tussen de collectieve emoties en individuele emoties bij crises. Denk aan een dorp dat is geschokt na een ingrijpende gebeurtenis en de emoties die dat teweeg brengt, versus de individuele rouw van de nabestaanden. Het is altijd een precair evenwicht, omdat voorkomen moet worden dat de naaste familie het idee krijgt dat de lokale samenleving met hun rouw op de loop gaat. Het blijkt in de praktijk vooral neer te komen op afstemmen met nabestaanden; stemmen zij in met een stille tocht dan kan die doorgang vinden, zijn ze erop tegen dan is het wijs om een alternatieve vorm van rouwverwerking te organiseren. De volledige presentatie is hier te downloaden.

Als afsluiter van het congres stond een debat centraal over de mediacode die de NtVP voorstelde. Over deze mediacode was het nodige te doen. Mijns inziens terecht, omdat de code behoorlijk verstrekkend is. Zo stelt de code dat "Media zich vooral moeten richten op feitelijke berichtgeving en zouden moeten afzien van live interviews met getroffenen of slachtoffers direct na de calamiteit".

Vooralsnog staat het een ieder vrij om een interview te geven danwel daarvan af te zien. In die zin zie ik meer in de richtlijnen die de Raad voor de Journalistiek heeft meegegeven naar aanleiding van de publiciteit rond de enige overlevende van de Tripoli-ramp. Tenzij er onmiskenbaar misbruik gemaakt wordt van een situatie. Zo oordeelde de raad over het telefonisch interview dat een journaliste van de Telegraaf met Ruben had als volgt: "De journalist die in de gegeven situatie het slachtoffer van een ramp actief kan benaderen dient zich rekenschap te geven van de weerloosheid van betrokkene in die situatie, en van het risico dat onverhoeds direct contact, gelet op de geestelijke toestand waarin het slachtoffer verkeert, schade kan toebrengen.
In het onderhavige geval, van een jeugdig slachtoffer dat nog maar nauwelijks bij bewustzijn was en zich nog niet of nauwelijks bewust was van de situatie waarin hij verkeerde, had de journalist een andere afweging moeten maken en het directe – telefonische – contact moeten vermijden c.q. beëindigen. Het publiceren van de inhoud van het telefoongesprek is derhalve eveneens ontoelaatbaar. Daarbij komt dat publicatie niet noodzakelijk was als extra informatie om de aard of de ernst van de vliegtuigramp weer te geven.

Tegelijkertijd nuanceerde de Raad het feit dat de NOS en andere media beelden van Ruben hadden uitgezonden. Was dat een ontoelaatbare inbreuk op de privacy? Niet volgens de Raad voor de Journalistiek. In de uitspraak stelde de Raad kortgezegd dat publicatie van de beelden van Ruben in het ziekenhuisbed,hoezeer ook gemaakt in een besloten ruimte en gepubliceerd zonder toestemming, in dit geval is gerechtvaardigd door de uitzonderlijk grote nieuwswaarde en zeggingskracht van het beeld van de enige overlevende van de vliegramp bij Tripoli. Tegelijkertijd gaf de Raad wel aan dat het noemen van de achternaam van Ruben geen enkele journalistieke noodzaak had en de jongen juist zou belemmeren om na de crash weer terug in de anonimiteit te keren: "de achternaam van het slachtoffer in dit geval achterwege had dienen te blijven, nu die vermelding nadeel met zich meebrengt voor het slachtoffer, en niets toevoegt aan de informatie over de ramp, dan wel over de aard en ernst daarvan." Lees hier de volledige uitspraak.

Naar mijn idee biedt deze uitspraak van de Raad voor de Journalistiek een goede basis om de belangen van slachtoffers te toetsen aan het maatschappelijke belang dat bij rampen en crisis door de journalistiek wordt vertolkt. Daar hoeft geen nieuwe code voor worden opgesteld.

30 november 2011
NGB/Wouter Jong

 

Item in PowNews over de mediacode:

naar vorige weblog

Kennis delen via twitter | crisisbeheersing | crisiscommunicatie | burgemeesters

U bent hier

<div></div>