Wetsvoorstel nieuw Politiebestel

De ministerraad heeft op voorstel van de ministers Hirsch Ballin van Justitie en Remkes van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties ingestemd met indiening bij de Tweede Kamer van een nieuwe Politiewet. Het wetsvoorstel is gebaseerd op het kabinetsstandpunt Evaluatie Politieorganisatie dat het kabinet in oktober 2005 heeft uitgebracht naar aanleiding van de conclusies van de Stuurgroep Evaluatie Politieorganisatie (de Commissie Leemhuis). Deze stuurgroep heeft geconcludeerd dat het huidige politiebestel te veel knelpunten kent en dat fundamentele wijzigingen van het bestel noodzakelijk zijn. Het kabinet heeft naar aanleiding hiervan het standpunt ingenomen dat een oplossing voor de knelpunten niet mag uitblijven en dat herziening van de politieorganisatie noodzakelijk is. Vervolgens is er met betrokken partijen, zoals Korpsbeheerders, Raad van Hoofdcommissarissen, OM en VNG overleg gevoerd over noodzaak en inhoud van het wetsvoorstel. Het concept-wetsvoorstel is op onderdelen aangepast om het beter te laten aansluiten bij de wensen van deze partijen en naar aanleiding van het advies van de Raad van State.

Het wetsvoorstel gaat uit van de komst van één landelijke politieorganisatie met een eigen rechtspersoonlijkheid. De nieuwe politieorganisatie bestaat uit 25 regionale korpsen en een landelijk politiekorps. Aan de top van de nieuwe politieorganisatie staat een directieraad. De directieraad is verantwoordelijk voor de leiding en het beheer van de politieorganisatie. Door de centralisatie van het beheer kan er effectiever gewerkt worden aan bijvoorbeeld de landelijke standaardisatie van de informatie en communicatietechnologie bij de politie. Daarvoor is niet langer, zoals in het huidige bestel, overeenstemming tussen 26 korpsbeheerders noodzakelijk. Hierdoor wordt de Nederlandse politie een grotere eenheid. Dit zal de doelmatigheid, de doeltreffendheid en de kwaliteit van de politie verbeteren. De directieraad legt over zijn functioneren verantwoording af aan de politieministers. Die kunnen vervolgens beter dan nu het geval is politieke verantwoording tegenover het parlement afleggen. Het democratisch gat dat er in dit opzicht was, wordt daarmee gedicht.

Het gezag op lokaal niveau blijft bij de burgemeester en de (hoofd)officier van Justitie. De lokale gezagsdriehoeken, waarin de burgemeester en de officier van Justitie, geadviseerd door de korpschef of districtchef, de feitelijke inzet van de politie bepalen, blijven bestaan. Daarnaast zal het regionale politiebestuur, net als het huidige regionale college bestaan uit alle burgemeesters in de regio en de hoofdofficier van justitie. Het regionale politiebestuur stelt onder meer het regionale politiebeleidsplan vast. Het politiebeleidsplan wordt gebaseerd op de lokale prioriteiten van de gemeenten uit de regio, op de prioriteiten van het openbaar ministerie en op landelijke prioriteiten die door de ministers zijn vastgesteld. De invloed van de gemeenten op de politie wordt met het wetsvoorstel versterkt. Bij het opstellen van het regionale beleidsplan is het regionale politiebestuur verplicht inbreng te vragen van de gemeenten. Het regionaal politiebestuur moet bij het vaststellen van het regionale beleidsplan laten zien wat er met die inbreng is gebeurd. Ook in het nieuwe politiebestel blijft dus sprake van een sterke lokale en regionale verankering.

Het kabinet is van mening dat de voorgestelde wijzigingen in de politieorganisatie in vergelijking met de reorganisatie van de politie in 1993 slechts een beperkte operatie is die vooral het bestuur en het beheer van de politie raakt. Uit extern onderzoek dat de ministers van Justitie en van BZK hebben laten uitvoeren, blijkt dat er met de voorgenomen wijziging van het politiebestel geen grote kosten gemoeid zijn en dat deze kosten snel kunnen worden terugverdiend uit de verwachte (structurele) opbrengsten.

U bent hier

<div></div>