Eerste Kamer kritisch over 'gekozen burgemeester'

Op 7 mei jongstleden vond in de Eerste Kamer de eerste vergadering van de tweede lezing plaats over het voorstel van wet van het lid Jetten over de deconstitutionalisering van de benoeming van de burgemeester en commissaris van de Koning (34 716).

Alle commissies, met uitzondering van Groen Links stelden kritische vragen over het wetsvoorstel.

Globaal eindbeeld
De VVD pleit eerst voor een globaal eindbeeld over de toekomstige aanstellingswijzen alvorens in te stemmen met de feitelijke grondwetswijziging artikel 131. De toenmalige Minister zou als actieve regisseur optreden en voor de tweede lezing een procedurebrief sturen over de wijze waarop hij dit proces als actieve regisseur zou aanpakken. In zijn brief schetste hij alleen dat eerst brede consensus over deconstitutionalisering moet plaatsvinden alvorens in te gaan op het vervolg. Dit staat haaks op eerdere belofte. Vandaar dat de VVD vragen stelt aan de regering over het ‘belang’ van deconstitutionalisering en opnemen in regeerakkoord, en de te ondernemen stappen, en de reorganisatie van het lokaal bestuur indien doorgang deconstitutionalisering plaatsvindt.

Duurzaam
Het CDA benadrukt vooral het belang van de huidige aanstellingswijze van de burgemeester en de CdK. Deze vormt een wezenlijk aspect in het geheel van bestuurlijke verhoudingen tussen en binnen de verschillende bestuurslagen en bevoegdheden van burgemeester en CdK. Een consistente benoemingswijze is enerzijds noodzakelijk vanwege de verhouding van beide ambten met de andere organen op gemeentelijk respectievelijk provinciaal niveau. Een wijziging van de benoemingswijze kan vergaande gevolgen hebben voor de verhouding van de burgemeester en commissaris tot de andere organen op gemeentelijk en provinciaal niveau. De vraag aan de initiatiefnemer is waarom een inhoudelijk debat over de mogelijke aanstellingswijzen alleen mogelijk is na deconstitutionalisering.

Geïsoleerde discussie
De PvdA vindt dat het sobere karakter van de Grondwet thans geen argument vormt om een bepaald onderwerp wel of niet in de Grondwet te regelen. Er wordt verwezen naar het ROB- Advies: «Begin bij het begin» waarin wordt geadviseerd om eerst te kijken naar de gevolgen voor het lokaal en provinciaal bestuur alvorens te deconstitutionalisering. Tevens wordt verwezen naar het rapport van de Donk <<Meervoudige democratie>> over het belang van de onafhankelijke positie van de burgemeester. Deze dient gewaarborgd te worden. De discussie over deconstitutionalisering moet worden gezien in het licht van het functioneren van de burgemeester in het toekomstig lokaal bestel en moet niet een geïsoleerd dispuut zijn over de juiste aanstellingswijze.

Gehele context
De Christen Unie is van mening dat de aanstellingswijze zoals nu volstaat met het belang van onafhankelijkheid en onpartijdigheid. De SGP stelt dat in de Grondwet niet alleen de benoeming van de burgemeester en de commissaris van de Koning worden genoemd, maar ook de verkiezing van gemeenteraad en provinciale staten. Welke consequenties heeft de deconstitutionalisering hierop?  Naast de commissies zijn ook de Kring van Commissarissen van de Koning en het NGB van mening dat de discussie over de aanstellingswijze gevoerd moet worden in de gehele context van het lokaal bestuur: eerst bepalen hoe het lokaal bestuur eruit moet zien, dan de positie van de burgemeester vastleggen en daaruit voortvloeiend de aanstellingswijze vaststellen. Zij wijzen daarnaast op de onderscheiden posities van enerzijds de burgemeester en anderzijds de commissaris van de Koning.

Binnen vier weken wordt een reactie verwacht.

U bent hier

<div></div>