Brief Remkes: Ambtsgebed niet in strijd met vrijheid van godsdienst

In reactie op vragen van de Tweede Kamerleden Fierens en Blom heb ik toegezegd om een brief te sturen aan alle provincies en gemeenten in Nederland met daarin mijn opvattingen over de verhouding tussen enerzijds het ambtsgebed en anderzijds het beginsel van de scheiding van kerk en staat, zoals dat voortvloeit uit de vrijheid van godsdienst in samenhang met het discriminatieverbod, die zijn opgenomen in de Grondwet en de verscheidene mensenrechtenverdragen (vgl. de nota grondrechten in een pluriforme samenleving, Kamerstukken II, 29 614, p. 7-8). Bij deze voldoe ik aan die toezegging.

Het ambtsgebed is een godsdienstige uiting van deelnemers aan een vergadering van provinciale staten of de gemeenteraad. Het ambtsgebed is in een aantal gemeenten in Nederland een eeuwenoude traditie. Toch leidt het uitspraken van een ambtsgebed van tijd tot tijd tot enige commotie. Er wordt dan gewezen op de strijd van het ambtsgebed met de genoemde scheiding van kerk en staat. Dit beginsel houdt in dat de staat zich niet mag uitspreken ten voordele van één bepaalde godsdienstige stroming. In deze brief wil ik daarom duidelijk maken wat de lijn in deze is.

Naar mijn oordeel is het ambtsgebed niet per definitie strijdig met de godsdienstvrijheid. Dit wordt anders wanneer het deelnemen aan het ambtsgebed of het actief respect tonen ervoor verplicht worden gesteld. De Staten- en raadsleden moeten zelfstandig kunnen besluiten of zij al dan niet deelnemen aan het gebed of al dan niet actief respect tonen. Het besluit tot niet-deelneming of het niet tonen van actief respect mag er nimmer toe leiden dat een staten- of raadslid de toegang tot de vergadering wordt ontzegd.

Ook wanneer een verplichting tot uitspreken van het ambtsgebed voor de voorzitter wordt opgenomen in een reglement van orde is dit in strijd met het beginsel met de scheiding kerk en staat. De voorzitter moet vrij zijn om te bepalen of hij het ambtsgebed wenst uit te spreken.

Het ambtsgebed is, naar mijn oordeel, wel in overeenstemming met het beginsel van scheiding kerk en staat wanneer het voorafgaand aan de opening van de vergadering wordt uitgesproken en direct na de sluiting van de vergadering. Het hoeft dan ook niet in het reglement van orde te worden opgenomen. Hierbij blijft wel gelden dat iedere deelnemer aan de vergadering, inclusief de voorzitter, vrij moet zijn in de beslissing deel te nemen.

Wanneer de raad er toch voor mocht kiezen om in een reglement van orde te bepalen dat de voorzitter een gebed uitspreekt, dan mag dit, zoals eerdere gezegd, nooit verplichtend zijn voor de voorzitter of de andere deelnemers aan de vergadering. Wanneer mocht blijken dat er bepalingen in het reglement zijn die strijdig zijn met de scheiding kerk en staat, dan zal ik overwegen die betreffende bepaling voor te dragen voor spontane vernietiging.

Vertrouwende u hiermee voldoende geïnformeerd te hebben.

DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES,

J.W. Remkes

Bron - BZK

U bent hier

<div></div>