Rapport Politieacademie: De lokale betekenis van basisteams

Vandaag verscheen het rapport De lokale betekenis van basisteams over het werk van geüniformeerde agenten en het gebrek aan rechercheurs.

In 2015 verscheen de eerste studie: ‘De lokale positie van de Nationale Politie. Een eerste verkenning’. Het onderzoek inventariseerde de (voorlopige) oordelen van respondenten (politie, bestuur en justitie) over de lokale politie, met bijzondere aandacht voor de politiek-bestuurlijke inbedding. Dit tweede onderzoek gaat daarnaast in op het interne functioneren van de basisteams. Het besteedt niet alleen aandacht aan opvattingen van politie en gezagsdragers, maar ook aan die van gemeenteraadsleden en burgers.

Enkele bevindingen en conclusies
a. In de afgelopen twee decennia zijn er op lokaal niveau sterke veiligheidsnetwerken opgebouwd, met gemeenten en burgemeesters in een centrale en sturende positie. Vandaag de dag werken veel professionals – buiten de politieorganisatie – op dagelijkse basis aan lokale veiligheid: van toezichthouders of BOA’s, via jongerenwerkers en OOV-ambtenaren tot aan directeuren veiligheid in (middel-)grote gemeenten. Het lokale veiligheidsbeleid beperkt zich niet tot de beleidsmatige aanpak van overlast of van zichtbare criminaliteit, maar strekt zich uit tot een persoonsgerichte aanpak (veiligheidshuizen) en tot de aanpak van georganiseerde (ondermijnende) criminaliteit. Rondom het driehoeksoverleg functioneren ambtelijke voorportalen, waarin de politie participeert en waarin kleine en middelgrote gemeenten (nauw) samenwerken. Er bestaat onder burgemeesters overwegend tevredenheid over het lokale veiligheidsbeleid en daarbinnen over het aandeel van de politie. 

b. Burgemeesters tonen op één punt (vaak ongevraagd in onze gesprekken) specifieke waardering voor de politie op het niveau van basisteams en districten. Bij acute of ernstige gebeurtenissen, of bij een in de driehoek benoemde topprioriteit, toont de politie flexibiliteit en deskundigheid: in de operatie en aan de overlegtafel. De politie toont dan noodzakelijke slagkracht die ontbreekt bij andere veiligheidsprofessionals.  

c. Hoewel de tevredenheid over lokale veiligheid en politie overheerst, merken bestuurders dat de inrichting van de politie knelt bij structurele lokale ordeproblemen; bijna altijd een combinatie van openbare orde en rechtsorde. De politie moet dan te snel passen bij de uitoefening van kerntaken: de strafrechtelijke aanpak van daders (‘boeven vangen’) en het bewaken van de openbare orde. De tekorten laten zich voelen bij de aanpak van georganiseerde ondermijnende (drugs-)criminaliteit.  

d. Klassieke ijkpunten voor het functioneren van de lokale politie worden door burgemeesters – die vertrouwen op pragmatisme en op de lokale veiligheidsnetwerken – op de hand gewogen: normen ten aanzien van wijkagenten, openingstijden van politiebureaus, de beschikbaarheid van een bureau en aanrijtijden. Zolang er maar pragmatiek en beleidsruimte blijven bestaan en de ondergrens niet wordt bereikt, want anders ontstaat irritatie. Bijvoorbeeld over cellencomplexen op te grote afstand. 

e. Het bestuurlijke perspectief verschilt stevig van het interne perspectief van (uitvoerende) politiemedewerkers in de basisteams. Burgemeesters zijn tevreden over het versterkte lokale veiligheidsbeleid en hanteren een lange tijdshorizon, terwijl (uitvoerende) agenten in het hier en nu ondervinden dat er te weinig wordt getraind op geweldgebruik, dat er veel te weinig rechercheurs zijn om werk te maken van lokale misdaadinformatie en dat het HRM-beleid star en gecentraliseerd is.  

Klik hier voor het rapport

U bent hier

<div></div>