Politiewet 2012

Politiewet
Wet van 12 juli 2012, tot vaststelling van een nieuwe Politiewet. Klik hier voor de volledige wetstekst.

___________

In de Politiewet 2012 zijn de taak en de organisatie van de politie bepaald. Tevens is in de wet omschreven op welke wijze de politie onder aansturing van bestuur en justitie staat. In de Gemeentewet is opgenomen dat de burgemeester zich bedient van de politie in de handhaving van de openbare orde en in de hulpverlening. De politie beschikt over geweldsmiddelen om zo nodig af te dwingen dat men zich aan de regels houdt. De politie is daarmee een belangrijk - zo niet het belangrijkste - instrument om de daadwerkelijke handhaving van de openbare orde te vervullen.

Nederland kent sinds 1 januari 2013 nationale politie. Dit betekent één landelijk politiekorps dat opereert onder verantwoordelijkheid van de minister van Veiligheid en Justitie.

 

Gezag

De gezagsstructuur is niet veranderd ten opzichte van het decentrale bestel. Indien de politie in een gemeente optreedt ter handhaving van de openbare orde en ter uitvoering van de hulpverleningstaak, dan staat zij onder gezag van de burgemeester (art. 11 Politiewet 2012). Dit artikel moet bezien worden in combinatie met art. 172 van de Gemeentewet waar vastgelegd is dat de burgemeester belast is met de handhaving van de openbare orde in zijn gemeente en dat hij zich daarbij bedient van de onder zijn gezag staande politie. De officier van justitie heeft het gezag als het de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde of de taken ten dienste van justitie betreffen (art. 12 politiewet). De burgemeester beslist in de driehoek met de officier van justitie en de politiechef, over de lokale prioriteiten en de inzet van de politie. De politie opereert in ondergeschiktheid aan het bevoegd gezag (art. 3). Kort samengevat: het gezag bepaalt wat de politie lokaal doet. De burgemeester legt over het door hem uitgeoefende gezag verantwoording af aan de gemeenteraad (art. 15). Hij geeft de raad mondeling of schriftelijk alle inlichtingen die de raad voor de uitoefening van zijn taak nodig heeft, tenzij het verstrekken ervan in strijd is met het openbaar belang.

 

Gezagsdriehoek

In het driehoeksoverleg worden afspraken gemaakt over de inzet van de politie op de lokale prioriteiten en de criminaliteitsbeheersing. De driehoek bestaat uit de burgemeester, de officier van justitie en het hoofd van het territoriale onderdeel van de regionale eenheid binnen welk grondgebied de gemeente geheel of gedeeltelijk valt. Hoewel het niet in de wet is opgenomen, is de burgemeester meestal de voorzitter van het driehoeksoverleg. Om praktische redenen wordt de driehoek vaak vormgegeven met meerdere burgemeesters op bovengemeentelijk niveau, in de wet is echter expliciet opgenomen dat de burgemeester kan bepalen dat het driehoeksoverleg plaatsvindt op gemeentelijk niveau.

In de driehoek worden afspraken gemaakt over de inzet van de politie. Er kunnen afspraken gemaakt worden over het dienstverleningsniveau van politie aan burgers, zoals aangiftemogelijkheden, (tijden van) bereikbaarheid en beschikbaarheid, samenwerking met toezichts- en handhavingsdiensten en private partijen en informatie-uitwisseling. Hiermee bindt het gezag de politie aan de lokale wensen en behoeften en is een basis van de politiezorg in de gemeente geregeld. Het is hierbij van belang de afspraken zo veel mogelijk te formuleren in prestaties die van de politie worden verwacht: hoe concreter de gevraagde prestaties van de politie worden beschreven, hoe gemakkelijker het is voor het gezag de politie hierop aan te spreken en verantwoording te laten afleggen.

Gezien de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor de aansturing van de politie ligt het verder voor de hand dat de burgemeester en het OM betrokken worden bij het opstellen van de wederzijdse veiligheidsplannen en dat er gezamenlijk gesproken wordt over criminaliteitsanalyses en veiligheidsscans e.d.

 

Regionaal overleg

De burgemeesters van de gemeenten in het gebied waarin de regionale eenheid de politietaak uitvoert en de hoofdofficier van justitie, kunnen ten minste eenmaal per jaar over het beleid en de taakuitvoering van de politie overleg voeren. Per amendement is door de Tweede kamer in de wet de mogelijkheid toegevoegd dit overleg met een deel van de gemeenten binnen de regionale eenheid te voeren, namelijk de gemeenten waarvan de grenzen samenvallen met de indeling van de veiligheidsregio’s.

Jaarlijks stellen de burgemeesters en de hoofdofficier van justitie in een regio een jaarverslag voor de regionale eenheid vast.

Daarnaast stellen de burgemeesters en de hoofdofficier van justitie in een regio, ten minste eens in de vier jaar een regionaal beleidsplan voor de regionale eenheid vast. Via het regionale beleidsplan wordt gestuurd op de prioriteiten en doelstellingen voor de regionale eenheid. Het regionale beleidsplan bevat in ieder geval de landelijke doelstellingen en een overzicht van de verdeling van de beschikbare politiesterkte binnen de regio. Wettelijk is vastgelegd dat moet worden aangegeven hoeveel wijkagenten er in de regio zijn en hoe deze verdeeld zijn over de territoriale onderdelen van de eenheid. Daarbij is voorgeschreven dat er ten minste 1 wijkagent werkzaam is per 5000 inwoners (art. 38a). De memorie van toelichting bij de wet geeft verder aan dat het voor de hand ligt dat het regionale beleidsplan wordt opgesteld door de regioburgemeester en dat het plan gebaseerd wordt op de integrale veiligheidsplannen van de gemeenten in de regio, het beleid van het openbaar ministerie en de landelijke prioriteiten voor de politie. Tevens wordt aangegeven dat het voor de hand ligt dat ingegaan wordt op bovenlokale veiligheidsvraagstukken. Het regionale beleidsplan moet met algemene stem worden aangenomen. Lukt dit niet, dan stelt de regioburgemeester het plan vast in overeenstemming met de hoofdofficier van justitie. Als een burgemeester het niet eens is met dit besluit dan kan hij in beroep gaan bij de minister.

De burgemeesters worden via de regioburgemeester betrokken in het proces van totstandkoming van de landelijke prioriteiten van de politie. De minister stelt ten minste eenmaal in de vier jaar landelijke beleidsdoelstellingen vast voor de politie (de zgn. landelijke prioriteiten) gehoord het College van PG’s en de regioburgemeesters (art. 18). De regioburgemeesters spreken in dit overleg namens de burgemeesters in hun regio. Vervolgens worden de landelijke doelstellingen door de minister omgezet in doelstellingen per regio. Als bijvoorbeeld de aanpak van criminele jeugdgroepen een landelijke prioriteit is, terwijl er in een bepaalde regio geen criminele jeugdgroepen zijn, dan hoeven deze ook niet aangepakt te worden.

Ook deze specifieke regionale doelstellingen worden weer voorgelegd aan de regioburgemeester van het betreffende gebied die vervolgens - voordat hij de zienswijze van de regio aan de minister geeft - alle burgemeesters in de regio moet horen over de gemeentelijke veiligheidsdoelen (art. 20).  

De minister van Veiligheid en Justitie stelt jaarlijks een landelijk beheersplan en een landelijk jaarverslag op voor de politie (art. 37, lid 1). Het beheersplan bevat onder meer de indeling van de regionale eenheden in districten en basisteams. Over de indeling van de regionale eenheden en de omvang van de onderdelen ervan, worden de burgemeesters gehoord door de korpschef.


Verantwoordingsplicht
De verantwoordingsplicht van de burgemeester jegens de gemeenteraad strekt zich ook uit over diens aansturing van de politie.

 (met dank aan het bureau van het overleg van regioburgemeesters voor bovenstaande tekst)

Meer informatie?

U bent hier

<div></div>