Politiewet 2012

Politiewet
Wet van 12 juli 2012, tot vaststelling van een nieuwe Politiewet. Klik hier voor de volledige wetstekst.

___________

In de Gemeentewet is opgenomen dat de burgemeester zich bedient van de politie in de handhaving van de openbare orde en in de hulpverlening. De politie beschikt over geweldsmiddelen om zo nodig af te dwingen dat men zich aan de regels houdt. De politie is daarmee een belangrijk - zo niet het belangrijkste - instrument om de daadwerkelijke handhaving van de openbare orde te vervullen. In de Politiewet 2012 zijn de taak en de organisatie van de Nationale politie bepaald. Tevens is in de wet omschreven op welke wijze de politie onder aansturing van bestuur en justitie staat.

Gezag (artikel 11 Politiewet 2012)
Als de politie optreedt ter handhaving van de openbare orde en ter uitvoering van de hulpverleningstaak, dan staat zij onder gezag van de burgemeester. De burgemeester kan de politie de nodige aanwijzingen geven voor de vervulling van deze taken. Deze aanwijzingen kunnen zowel planmatig als ad hoc zijn en zowel de individuele ambtenaren van politie als de gehele politie betreffen. Het gezag van de burgemeester strekt zich uit over alle politiefunctionarissen als zij in de gemeente optreden ter handhaving van de openbare orde. Tevens heeft de burgemeester het gezag over de Koninklijke Marechaussee als deze in de gemeente optreedt ter handhaving van de openbare orde.

Het gezag over de politie in de handhaving van de openbare orde omvat twee elementen:

  • de daadwerkelijke voorkoming en beëindiging van zich concreet voordoende of dreigende verstoringen van de openbare orde en
  • de algemene bestuurlijke voorkoming van strafbare feiten, die vorm krijgt in de participatie van de politie in het preventieve veiligheidsbeleid.

De hulpverleningstaak van de politie is algemeen van aard, maar heeft uiteraard betrekking op het werkterrein van de politie. Het gaat erom burgers te helpen en te voorkomen dat zij slachtoffer van (verder) onrecht of ongeval worden.

Driehoeksoverleg (artikel 13 Politiewet 2012)
De politie staat onder duaal gezag: voor de handhaving van de openbare orde en voor de hulpverlening ligt het gezag bij de burgemeester en voor de strafrechtelijke handhaving ligt het gezag bij de officier van justitie. De Politiewet 2012 verplicht de burgemeester en de officier van justitie periodiek overleg te voeren met het hoofd van het territoriale onderdeel van de regionale eenheid binnen welker grondgebied de gemeente geheel of ten dele valt, zo nodig met de politiechef van een regionale eenheid. Dit is de lokale gezagsdriehoek die in de praktijk meestal de vorm krijgt op het niveau van de basiseenheid van de politie waarin de gezamenlijke burgemeesters met de officier en de districtsleiding overleggen. In de wet is echter expliciet opgenomen dat de burgemeester kan bepalen dat het driehoeksoverleg plaatsvindt op gemeentelijk niveau. Hoewel het niet in de wet is opgenomen, is de burgemeester meestal de voorzitter van het driehoeksoverleg.

Formeel heeft het driehoeksoverleg geen eigen bevoegdheden; het is immers een overleg.

In het overleg maken de betrokkenen afspraken over de taakuitvoering en de inzet van de politie. Dit gebeurt op basis van de doelen, die de gemeenteraad eens in de vier jaar voor de veiligheid in de gemeente heeft vastgesteld. Ook komt het beleid ten aanzien van de taakuitvoering ter tafel. Het overleg beperkt zich niet tot de uitvoering van de politietaak; de burgemeester en de officier van justitie maken er afspraken over lokale prioriteiten en criminaliteitsbestrijding. Er kunnen bijvoorbeeld afspraken gemaakt worden over het dienstverleningsniveau van politie aan burgers, zoals aangiftemogelijkheden, (tijden van) bereikbaarheid en beschikbaarheid, samenwerking met toezichts- en handhavingsdiensten en private partijen en informatie-uitwisseling. In de praktijk vindt er ook vaak afstemming tussen de burgemeesters onderling plaats over hun inzet ter handhaving van de openbare orde en tussen bestuur en Openbaar Ministerie over de inzet van beide partijen. Voor de toepassing van een aantal bevoegdheden is de burgemeester verplicht tot samenwerking/samenloop met de officier van justitie. Het driehoeksoverleg is dan vaak het ontmoetingspunt.

Regionaal overleg
De burgemeesters van de gemeenten in het gebied waarin de regionale eenheid de politietaak uitvoert en de hoofdofficier van justitie, kunnen ten minste eenmaal per jaar over het beleid en de taakuitvoering van de politie overleg voeren. De wet geeft tevens de mogelijkheid dit overleg met een deel van de gemeenten binnen de regionale eenheid te voeren, namelijk de gemeenten waarvan de grenzen samenvallen met de indeling van de veiligheidsregio’s.

Regioburgemeesters
In het stelsel van de nationale politie vervullen de regioburgemeesters een belangrijke schakelrol tussen de minister, de burgemeesters en de politie. De minister wijst in elke regionale eenheid een burgemeester aan als regioburgemeester. De burgemeesters in de regionale eenheid worden in de gelegenheid gesteld een gezamenlijke aanbeveling voor de aanwijzing te doen, waar de minister slechts op zwaarwegende gronden van kan afwijken. De regioburgemeester legt over de uitoefening van zijn taken verantwoording af aan de overige burgemeesters in het gebied van de regionale eenheid. De burgemeesters kunnen de minister gezamenlijk verzoeken de regioburgemeester van zijn functie te ontheffen.

De regioburgemeesters en de hoofdofficier van justitie voeren minstens vier maal per jaar met de minister overleg over de taakuitvoering door en het beheer over de politie. In dit zogenoemde Landelijk Overleg Veiligheid en Politie (artikel 19-overleg) wordt o.a. gesproken over de inrichting van de politie, de landelijke beleidsdoelstellingen, de sterkteverdeling, ontwerp-begroting en -jaarrekening, benoemingen in de korpsleiding en mogelijke concept-wetswijzigingen en Algemene maatregelen van bestuur inzake de politie. Daarnaast overleggen de regioburgemeester en de hoofdofficier van justitie regelmatig met de politiechef van een regionale eenheid. 

Beleid
De minister stelt ten miste een maal per vier jaar, gehoord het College van PG’s en de regioburgemeesters, de landelijke beleidsprioriteiten in de taakuitvoering van de politie vast. De burgemeesters worden via de regioburgemeester betrokken in het proces van totstandkoming van de landelijke prioriteiten . Vervolgens zet de minister de landelijke doelstellingen om in doelstellingen per regionale eenheid. Ook deze specifieke regionale doelstellingen worden weer voorgelegd aan de regioburgemeester die - voordat hij de zienswijze van de regio aan de minister geeft - alle burgemeesters in de regio moet horen over de gemeentelijke veiligheidsdoelen.

Binnen de regionale eenheid stellen de burgemeesters en de hoofdofficier van justitie - met inachtneming van de landelijke beleidsprioriteiten - ten minste eenmaal in de vier jaar het beleidsplan voor de regionale eenheid vast. Het beleidsplan omvat in ieder geval de verdeling van de beschikbare politiesterkte waaronder de beschikbare wijkagenten, over de onderdelen van de regionale eenheid. Wettelijk is voorgeschreven dat er ten minste 1 wijkagent werkzaam is per 5000 inwoners. Het ligt voor de hand dat het regionale beleidsplan wordt opgesteld door de regioburgemeester en dat het plan gebaseerd wordt op de integrale veiligheidsplannen van de gemeenten, het beleid van het Openbaar Ministerie en de landelijke prioriteiten voor de politie. Tevens ligt het voor de hand dat ingegaan wordt op bovenlokale veiligheidsvraagstukken. Voorafgaand aan de vaststelling van het beleidsplan hoort iedere burgemeester de gemeenteraad van de betreffende gemeente over het ontwerpbeleidsplan. Jaarlijks stellen de burgemeesters en de hoofdofficier van justitie een jaarverslag vast.

Indien de burgemeesters en de hoofdofficier van justitie niet tot overeenstemming komen, dan stelt de regioburgemeester in overeenstemming met de hoofdofficier van justitie het beleidsplan respectievelijk het jaarverslag vast. Tegen het besluit tot vaststelling van het beleidsplan kan een burgemeester beroep instellen bij de minister. Deze beoordeelt of het beleidsplan op onaanvaardbare wijze afbreuk doet aan het belang van een goede vervulling van de politietaak in de betreffende gemeente.

Beheer
Het verantwoordelijkheid voor het beheer over de politie ligt bij de minister van Veiligheid en Justitie. De minister van Veiligheid en Justitie stelt jaarlijks een landelijk beheersplan en een landelijk jaarverslag op voor de politie. Het beheersplan bevat onder meer de indeling van de regionale eenheden in districten en basisteams.

In de Politiewet is een aantal waarborgen opgenomen, die de burgemeester mogelijkheden biedt om invloed op beheeraspecten van de politie te hebben:

  • de burgemeesters worden door de korpschef gehoord over de indeling van de regionale eenheid en de omvang van de onderdelen ervan;
  • de regioburgemeester hoort de burgemeesters in het gebied van de regionale eenheid voordat de regioburgemeester aan de minister adviseert over de benoeming, schorsing en ontslag van de politiechef van de regionale eenheid;
  • de aanwijzing van het hoofd van de basiseenheid geschiedt na verkregen instemming van de burgemeester en de officier van justitie;
  • indien het hoofd van een territoriaal onderdeel bij herhaling de afspraken over de inzet van de politie niet heeft uitgevoerd, kan de burgemeester of de officier van justitie de minister verzoeken betrokkene uit zijn functie te ontheffen.

 

Klachten
De politie kent een landelijke klachtencommissie. Burgers kunnen klachten over gedragingen van politiemedewerkers indienen bij de politiechef van de (regionale) eenheid waar de gedraging heeft plaatsgevonden. De burgemeester van de betreffende gemeente ontvangt een afschrift van de klacht en wordt in de gelegenheid gesteld een advies over de klacht uit te brengen.

Bijstand
Wanneer een eenheid van de politie voor de handhaving van de openbare orde bijstand van andere eenheden behoeft, dan richt de burgemeester een verzoek daartoe aan de korpschef van de nationale politie, nadat de regioburgemeester in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze over het verzoek te geven. Wanneer de korpschef het verzoek geheel of gedeeltelijk heeft afgewezen, dan kan de burgemeester de minister verzoeken de korpschef op te dragen alsnog in de gevraagde bijstand te voorzien.

Verantwoordingsplicht
De burgemeester legt over het door hem uitgeoefende gezag verantwoording af aan de gemeenteraad (artikel 15). Hij geeft de raad mondeling of schriftelijk alle inlichtingen die de raad voor de uitoefening van zijn taak nodig heeft, tenzij het verstrekken ervan in strijd is met het openbaar belang.

Meer informatie?

U bent hier

<div></div>