Bestuurlijke ophouding

Artikel 154a Gemeentewet 
1. De raad kan bij verordening de burgemeester de bevoegdheid verlenen om door de burgemeester aangewezen groepen van personen, op een door de burgemeester aangegeven plaats tijdelijk te doen ophouden. De ophouding kan mede omvatten, indien nodig, het overbrengen naar die plaats.
 
2. De burgemeester oefent de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, slechts uit:
a. jegens personen die een door de raad bij verordening vastgesteld en daartoe aangewezen specifiek voorschrift dat strekt tot handhaving van de openbare orde of beperking van gevaar in omstandigheden als bedoeld in
artikel 175, groepsgewijs niet naleven, en
b. indien het ophouden noodzakelijk is ter voorkoming van voortzetting of herhaling van de niet-naleving en de naleving redelijkerwijs niet op andere geschikte wijze kan worden verzekerd.
 
3. De beslissing tot ophouding wordt op schrift gesteld. De schriftelijke beslissing is een beschikking. Indien de situatie dermate spoedeisend is dat de burgemeester de beslissing tot ophouding niet tevoren op schrift kan stellen, zorgt hij alsnog zo spoedig mogelijk voor de opschriftstelling en voor de bekendmaking.
 
4. De beschikking vermeldt welk voorschrift niet wordt nageleefd.
 
5. De burgemeester laat tot ophouding als bedoeld in het eerste lid niet overgaan dan nadat de personen uit de in het eerste lid bedoelde groep in de gelegenheid zijn gesteld de tenuitvoerlegging van de beschikking tot ophouding te voorkomen, door alsnog het voorschrift, bedoeld in het vierde lid, na te leven.
 
6. De burgemeester draagt er zorg voor dat zo spoedig mogelijk een verslag van de bevindingen inzake de tenuitvoerlegging van de ophouding wordt opgesteld.
 
7. De ophouding mag niet langer duren dan de tijd die nodig is ter voorkoming van voortzetting of herhaling van de niet-naleving, met een maximum van twaalf uren.
 
8. De plaats van ophouding dient geschikt te zijn voor de opvang van de op te houden personen. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels hieromtrent worden gesteld.
 
9. De burgemeester draagt er voor zover mogelijk zorg voor dat de opgehouden personen in de gelegenheid worden gesteld door een daartoe door hem aangewezen ambtenaar hun gegevens te laten vastleggen ten bewijze dat zij zijn opgehouden.
 
10.
Artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing op de beschikking tot ophouding.
 
11. Indien tegen de beschikking tot ophouding een verzoek om een voorlopige voorziening als bedoeld in
artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht wordt gedaan:
a. wordt, in afwijking van
artikel 8:83, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, de verzoeker die is opgehouden zo mogelijk nog tijdens zijn ophouding door de voorzieningenrechter gehoord;
b. doet de voorzieningenrechter in afwijking van
artikel 8:84, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk na het horen van partijen uitspraak, en
c. wordt, in afwijking van
artikel 8:82, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, geen griffierecht geheven.
 
12. Bij de beoordeling van het verzoek betrekt de voorzieningenrechter tevens de rechtmatigheid van de tenuitvoerlegging van de beschikking tot ophouding jegens verzoeker.
  
13. Indien de voorzieningenrechter een of meer verzoeken toewijst op de grond dat de beschikking tot ophouding naar zijn voorlopig oordeel onrechtmatig is, kan hij bepalen dat alle personen die op basis van de betrokken beschikking zijn opgehouden, onverwijld in vrijheid worden gesteld.
 
14. Het twaalfde lid is van overeenkomstige toepassing op de beoordeling van een beroep tegen de beschikking tot ophouding als bedoeld in
artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht.  

 
Artikel 176a Gemeentewet
1. De burgemeester is bevoegd door hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangegeven plaats tijdelijk te doen ophouden. De ophouding kan mede omvatten, indien nodig, het overbrengen naar die plaats.
 
2. De burgemeester oefent de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, slechts uit:
a. jegens personen die door hem daartoe aangewezen specifieke onderdelen van een bevel als bedoeld in
artikel 175 of van een algemeen verbindend voorschrift als bedoeld in artikel 176, groepsgewijs niet naleven, en
b. indien het ophouden noodzakelijk is ter voorkoming van voortzetting of herhaling van de niet-naleving en de naleving redelijkerwijs niet op andere geschikte wijze kan worden verzekerd.
 
3. Artikel 154a, derde tot en met veertiende lid, is van overeenkomstige toepassing
 
________________

Bestuurlijke ophouding (artikel 154a en 176a Gemeentewet) is in Nederland tot stand gekomen voor de start van het Europees Voetbalkampioenschap EK2000 dat in Nederland werd georganiseerd. De burgemeester heeft de mogelijkheid om hiermee een verstoring van de openbare orde te voorkomen of te beëindigen. Bij bestuurlijke ophouding kan de burgemeester groepen personen maximaal 12 uur laten vasthouden of insluiten. De bevoegdheid voorzag in een leemte, omdat burgemeesters in het verleden hun toevlucht zochten tot buitenwettelijke middelen om potentiële lastpakken uit de buurt van grote samenkomsten (evenementen, demonstraties, etc.) te houden.

Omdat het hier gaat om een vrijheidsbenemende maatregel moet bestuurlijke ophouding aan een groot aantal voorwaarden voldoen, die zijn omschreven in artikelen 154a en 176a Gemeentewet. Dit heeft de toepassing van het instrument moeilijk gemaakt, waardoor het in het afgelopen decennium slechts één maal feitelijk is toegepast.

De bevoegdheid voor bestuurlijke ophouding kan op twee manieren worden toegepast:
• Wanneer de gemeenteraad daartoe heeft besloten dat het middel ingezet kan worden: Artikel 154a bepaalt dat de gemeenteraad de burgemeester de bevoegdheid kan verlenen om groepen personen op te houden. Deze bevoegdheid wordt vastgelegd in een bepaling in de APV.
• Voor situaties, waarin de gemeenteraad geen bepaling in de APV heeft opgenomen: Artikel 176a is in het leven geroepen voor gevallen waarin de in artikel 154a bedoelde verordening de situatie niet dekt. Als plotseling of vanwege onvoorziene omstandigheden blijkt dat bestuurlijke ophouding onmisbaar is, kan bestuurlijke ophouding als ‘nood-optie’ plaatsvinden op basis van artikel 176a Gemeentewet. Bestuurlijke ophouding conform artikel 176a Gemeentewet kan dan worden toegepast wanneer een noodbevel of noodverordening niet wordt nageleefd.

Het Besluit plaatsen bestuurlijke ophouding geeft nadere voorschriften voor de locatie van de ophouding. Zo moet de ophoudingsplaats beschikken over toiletten, moet er gelegenheid zijn om te telefoneren en moet medische zorg worden geboden. Bovendien moeten de opgehoudenen – nog tijdens de periode van ophouding - in de gelegenheid worden gesteld om beroep aan te tekenen en/ of een voorlopige voorziening te verzoeken bij de rechter. Indien mogelijk moet de verzoeker zelfs nog tijdens de ophouding door de rechtbank worden gehoord.

Casuistiek

Casus: Bestuurlijke ophouding bij voetbalwedstrijd Almelo
Op 13 augustus 2005 vindt de voetbalwedstrijd Heracles Almelo tegen PSV plaats. De burgemeester van Almelo stelt een noodverordening vast waarin op basis van artikel 176 Gemeentewet personen die kennelijk behoren tot supportersgroepen, anders dan die van Heracles wordt verboden om zich op 13 augustus 2005 vanaf 12.00 uur tot 24.00 uur in de binnenstad op te houden. Artikel 1 van de noodverordening maakt bestuurlijke ophouding bij overtreding van de noodverordening mogelijk. Een groep PSV-supporters wordt vervolgens bestuurlijk opgehouden. De supporters zijn van mening dat de ophouding onrechtmatig was en gaan in beroep. In beroep blijkt dat de noodverordening onvoldoende bekend is gemaakt, waardoor ook het besluit tot bestuurlijke ophouding een wettelijke grondslag ontbeert. Daarnaast merkt de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op dat de noodverordening niet voldoet aan de eis van artikel 176a, lid 2, aanhef en onder a dat stelt dat de burgemeester de bevoegdheid slechts uitoefent wanneer personen specifieke onderdelen van de noodverordening groepsgewijs niet naleven. In deze casus vermeldt de noodverordening niet welke onderdelen van de noodverordening worden gehandhaafd door middel van bestuurlijke ophouding en dat is in strijd met het beginsel van rechtszekerheid. Ook is artikel 154a, lid 5 (waarschuwingsplicht) niet in acht genomen. Een eis die, volgens de Afdeling te allen tijde dient vooraf te gaan aan de toepassing van bestuurlijke ophouding. (LJN: AV0612

Verder lezen?

 

U bent hier

<div></div>