Kinderbescherming


Binnen het stelsel van de herziene kinderbeschermingsmaatregelen heeft de burgemeester per 1 januari 2015 een positie gekregen. De burgemeester van de woonplaats van een minderjarige kan via de Raad voor de Kinderbescherming vragen om het oordeel van de kinderrechter.

In het reguliere traject van het stelsel van kinderbeschermingsmaatregelen beoordeelt de Raad voor de Kinderbescherming of hij een verzoek om een maatregel aan de kinderrechter voorlegt. Een dergelijk verzoek kan van de gemeente, Veilig Thuis/het Advies- en Meldpunt Huiselijk geweld en Kindermishandeling (AMHK), een jeugdzorginstelling of van burgers komen. De grond hiervoor is dat sprake dient te zijn van een ernstige bedreiging voor de ontwikkeling van de jeugdige en dat de benodigde zorg niet of onvoldoende wordt geaccepteerd.

De Raad kan na zijn onderzoek tot de conclusie komen om geen maatregel te vragen aan de kinderrechter. Wanneer de burgemeester echter toch een rechterlijke uitspraak nodig acht, dan kan hij in dat geval van de Raad verlangen om de uitkomst van het Raadsonderzoek toch ter beoordeling aan de rechter voor te leggen. Het betreft hier alleen de ondertoezichtstelling. Voor andere maatregelen, zoals ontzetting uit de ouderlijke macht en gezagsbeëindiging heeft de burgemeester deze bevoegdheid niet. De Raad voor de Kinderbescherming moet het verzoek van de burgemeester binnen 14 dagen aan de rechter voorleggen.

Tot 2015 had de burgemeester geen positie in stelsel van de kinderbeschermingsmaatregelen. Aanleiding om hier wijziging in te brengen, lag in de overlast en criminaliteit die op plaatsen door probleemjongeren wordt veroorzaakt. In het geheel van preventieve en repressieve maatregelen past soms ook de ondertoezichtstelling.

Het voert te ver om hier het stelsel van de kinderbeschermingsmaatregelen uiteen te zetten. Kern is dat de overheid maatregelen dwingend kan opleggen wanneer een minderjarige in zodanige omstandigheden opgroeit dat die in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Het is aan de kinderrechter om hiertoe te besluiten. Wanneer deze een ondertoezichtstelling oplegt, dan krijgt het betreffende gezin een gezinsvoogd vanuit een daartoe gecertificeerde instelling toegewezen. Deze persoon begeleidt het kind en zijn ouders bij het oplossen van de opvoedingsproblemen. De ouders blijven zelf verantwoordelijk voor de opvoeding, maar hun gezag wordt door de maatregel gedeeltelijk ingeperkt. Zowel ouders als kind zijn verplicht de aanwijzingen op te volgen die de gezinsvoogd geeft. In principe blijft het kind thuis wonen. De rechter kan in het belang van het kind ook besluiten om hem (tijdelijk) uit huis te plaatsen, bijvoorbeeld in een pleeggezin. De maximale duur van de ondertoezichtstelling is 12 maanden. De kinderrechter kan de maatregel steeds met (maximaal) 1 jaar verlengen tot het kind de leeftijd van 18 jaar bereikt.

Verder lezen

 

U bent hier

<div></div>